Moe, koud, brain fog en niet kunnen afvallen? Misschien moeten we verder kijken dan alleen je schildklier.
Je bent moe, terwijl je voldoende slaapt. Je hebt het snel koud, je hoofd voelt regelmatig wazig en ondanks dat je op je voeding let, lijkt afvallen steeds moeilijker te worden.
Herkenbaar?
Dan wordt al snel naar de schildklier gekeken. Misschien is er bij jou inderdaad een trage schildklier vastgesteld en gebruik je inmiddels medicatie. Of misschien zijn je bloedwaarden volgens de huisarts gewoon goed, terwijl jij je allesbehalve goed voelt.
Maar wat als we ons te veel op de schildklier zelf richten?
Want is je schildklier wel het probleem? Of kan je lichaam onvoldoende gebruikmaken van het schildklierhormoon dat beschikbaar is?
T4 is nog niet het eindstation
Je schildklier produceert voornamelijk T4 (thyroxine).
Je kunt T4 zien als een soort voorraad- of voorloperhormoon. Om je stofwisseling daadwerkelijk krachtig aan te sturen, moet een deel daarvan worden omgezet in het actievere T3 (trijoodthyronine).
En precies daar wordt het interessant.
Want die omzetting vindt niet alleen in de schildklier plaats. De lever, nieren, darmen en andere weefsels spelen hierin een rol.
Je kunt dus schildklierhormoon produceren – of T4 via medicatie binnenkrijgen – maar vervolgens moet je lichaam er nog wel goed mee om kunnen gaan.
Wat heeft je lever hiermee te maken?
Heel veel.
We denken bij de lever vaak aan ‘ontgiften’, maar de lever doet veel meer. Hij is een belangrijk regelcentrum voor je stofwisseling.
De lever is onder andere betrokken bij:
- je bloedsuikerregulatie;
- het opslaan van glucose als glycogeen;
- de verwerking van vetten;
- hormoonmetabolisme;
- energieproductie en -verdeling.
En dus ook bij het metabolisme van schildklierhormonen.
Dat betekent dat we bij schildklierklachten misschien niet alleen moeten vragen:
Hoe functioneert je schildklier?
Maar óók:
Hoe functioneert je lever en je totale stofwisseling?
En dan komt leververvetting in beeld
Dit vind ik een belangrijk onderwerp, omdat een vervette lever lange tijd aanwezig kan zijn zonder dat je daar duidelijke leverklachten van hebt.
Vooral bij buikvet, overgewicht, insulineresistentie en een ontregelde bloedsuiker kan vet zich in de lever gaan ophopen.
En juist daar ontstaat een vicieuze cirkel.
Een metabool belaste lever kan samengaan met een minder gunstige verwerking van glucose en vetten. Bij leverstress kunnen vrije vetzuren toenemen, de glucoseverbranding verminderen en de insulineresistentie verder toenemen.
Tegelijkertijd speelt diezelfde lever een rol bij het metabolisme van je schildklierhormonen.
Dus wanneer je én moeilijk afvalt, én veel buikvet hebt, én vermoeid bent én schildklierklachten hebt, vind ik het te eenvoudig om alleen naar je schildklier te kijken.
Misschien is het een metabool probleem
En dat verandert de manier waarop je naar je klachten kijkt. Want wat kwam eerst? Was je schildklier trager, waardoor je stofwisseling veranderde Ontwikkelde je insulineresistentie en vervolgens leververvetting? Raakte je stofwisseling ontregeld door langdurige stress, weinig herstel of voedingstekorten? Of versterken verschillende factoren elkaar inmiddels?
Het lichaam werkt nu eenmaal niet in losse hokjes. Je schildklier, lever, darmen, bloedsuiker, stresshormonen en mitochondriën beïnvloeden elkaar voortdurend.
Maar mijn TSH is toch goed?
TSH is absoluut een belangrijke waarde, maar vertelt niet het hele verhaal.
Wanneer klachten blijven bestaan, kan het afhankelijk van de situatie zinvol zijn om breder te kijken naar bijvoorbeeld vrij T4, vrij T3, schildklierantistoffen en relevante metabole waarden.
Want uiteindelijk gaat het niet alleen om hoeveel schildklierhormoon er aanwezig is.
De vraag is ook:
Kan je lichaam het goed gebruiken?
En als je al schildkliermedicatie gebruikt?
Dan is het belangrijk om die medicatie niet zomaar te veranderen of te stoppen. Schildkliermedicatie kan noodzakelijk zijn en blijven, maar ook mét medicatie vind ik het interessant om te onderzoeken waarom iemand bijvoorbeeld moe blijft, moeilijk afvalt, veel buikvet heeft, brain fog ervaart of weinig energie heeft.
Misschien hoeft de vraag dus niet te zijn:
“Heb ik een schildklierprobleem?”
Maar:
“Waar loopt mijn stofwisseling vast?”
Is dat bij de schildklier zelf?
Bij de omzetting van T4 naar T3?
Bij je bloedsuiker?
Bij insulineresistentie?
Bij je lever?
Of spelen voedingstekorten, stress en herstel een rol? Dat is een heel andere manier van kijken. En juist door het grotere plaatje in kaart te brengen, kunnen we veel gerichter bepalen waar ondersteuning nodig is.
In het volgende blog vertel ik je welke voeding, voedingsstoffen en leefstijlfactoren belangrijk zijn om je schildklier én de omzetting van schildklierhormonen te ondersteunen.
Gebruik je schildkliermedicatie? Stop of verander deze nooit zonder overleg met je behandelend arts. Dit artikel is bedoeld ter informatie en vervangt geen medische diagnostiek of behandeling.